Voor Gillis DorleijnHet academisch jaar staat weer op het punt van beginnen en als we de berichten mogen geloven, zullen we aan het Amsterdamse instituut voor Neerlandistiek volgende week aanmerkelijk meer studenten voor onze neus krijgen dan vorig jaar, toen we ook al met groei te maken hadden.
Voorlopig is het nog gissen naar de oorzaak van die stijging van het aantal inschrijvingen. Is het de kredietcrisis? Een nieuw inschrijfsysteem? Onze inspanning om het BA-onderwijs nog beter te maken? Of zou Herman Pleij weer op tv geweest zijn?
Het zal allemaal wel een rol spelen. Belangrijker dan de waarom-vraag is de constatering dat de ‘pakkans’ groeit met het aantal nieuwe eerstejaars: hoe meer aankomende studenten kiezen voor de studie van de Nederlandse taal en cultuur, hoe meer getalenteerde en enthousiaste jonge mensen over een paar jaar onze faculteit zullen verlaten om een rol van betekenis te gaan spelen in de complexe cultuur van vandaag. Als leraar, als criticus, als redacteur van een uitgeverij, als programmeur van festivals, als ondernemer in de cultuursector, als journalist, als literatuurwetenschapper…
Nu ze er nog niet zijn, die nieuwe studenten, hebben wij als docenten de tijd om weer eens goed na te denken over ons curriculum. Sluit ons programma nog aan bij de stand van de wetenschap en bij de veranderende cultuur? Zijn onze studenten na drie jaar nog competitief wanneer ze als BA de internationale markt van selectieve MA-trajecten betreden? Leren we ze onderzoeksvragen stellen die een kans maken door de financiers van wetenschappelijk onderzoek de moeite van het beantwoorden waard bevonden te worden?
Een van de dingen waarover ik in dat verband dezer dagen nog maar weer eens nadenk, is de eerstejaarscursus literaire tekstanalyse. Zo’n cursus zit sinds de jaren zestig in elk letterkunde-programma van elke faculteit. Bij ons heet de cursus “ALW I: de analyse van proza, poëzie en drama”. Het is (nog steeds) een van de leukste en belangrijkste letterkundevakken die wij onze beginnende studenten aanbieden. Elke docent vindt het leuk om tekstanalytische werkgroepen te draaien, omdat het voor iedereen die van literatuur houdt duidelijk is dat het hier natuurlijk om gaat: het ouderwetse handwerk, de geduldige, meticuleuze, liefdevolle analyse van literaire teksten. Wat de voetballer beleeft wanneer hij een doelpunt maakt, en de advocaat wanneer zijn argumenten tot vrijspraak leiden, dat maakt en letterkundedocent mee wanneer hij bij zijn studenten opeens de schellen van de ogen ziet vallen; wanneer hij erin slaagt zijn studenten (of: één student) te laten vallen voor de bijzondere zeggingskracht van de literatuur.
Maar terwijl ik deze laatste zin intik, realiseer ik me dat ik daarmee raak aan een van de zwakste plekken van mijn vak, de letterkunde. De wazige, ietwat hermetische formulering ‘de bijzondere zeggingskracht van de literatuur’, die ik zo achteloos gebruikte, is natuurlijk volstrekt onmogelijk in een rationeel, academisch discours. Het is eerder de uiting van een geloof, dan dat het uitgangspunt zou kunnen zijn van een academisch program of een eerstejaarscursus van een academische opleiding. Vroeger, in de jaren vijftig en zestig, schreven mijn voorgangers leerboeken poëzieanalyse met titels als Het schoone geheim der poëzie (Westerlinck). Literatuurwetenschappers kwamen toen nog weg met de suggestie dat ze zich eigenlijk met toverkunst bezig hielden. Er is inmiddels veel veranderd (ons tekstanalytisch leerboeken voor eerstejaars heet nu heel zakelijk Literair mechaniek), maar onze hang naar toverkunst is nog lang niet verdwenen. Mijn gewaardeerde leermeester, Wiljan van den Akker, karakteriseerde zijn eigen (door de studenten terecht bejubelde) hoorcolleges altijd uiterst adequaat door te zeggen: ‘ik ga toveren met teksten’.
Volgende week beginnen ook bij ons weer de hoor- en werkcolleges literaire analyse. En ik ben bezig me op die hoorcolleges voor te bereiden. Ga ik, als leerling van Van den Akker, toveren met teksten? Ik hoop het. Maar tegelijk wil ik mijn studenten kennis laten maken met een wijze van denken die specifiek is voor de wetenschappelijke omgang met (literaire) teksten. In de werkcolleges leren ze analyseren en interpreteren. Dat betekent dat ze betekenis gaan toekennen aan teksten (aan de hand van het elementaire begrippenapparaat uit Literair mechaniek van Erica van Boven en Gillis Dorleijn). In de hoorcolleges is het doel dat ze zich bewust worden van wat je eigenlijk precies aan het doen bent wanneer je betekenis toekent aan een tekst. Ze leren over analyse en interpretatie van literatuur na te denken op wat wetenschappers een ‘meta-niveau’ noemen. Dat betekent dat ze als interpreet vragen leren stellen (en beantwoorden) die voorafgaan aan de interpretatie.
Interpreteren is een alledaagse bezigheid. Aan alles wat we zien, horen en lezen geven we betekenis. We zijn voortdurend tekens aan het interpreteren: een oogopslag, een ontwijkend antwoord op een directe vraag, de gebaren van een verkeersregelaar… Steeds is de vraag: wat betekent dit teken precies? Of beter: welke betekenis moet ik er in de gegeven context aan toekennen? Onze eerstejaars moeten vanaf volgende week vragen leren stellen bij de zo alledaagse handeling van het betekenis geven aan (literaire) tekens. Wat is de rol van de context waarin aan het teken betekenis wordt gegeven? Komt de ‘betekenis’ van een teken altijd overeen met de bedoeling of intentie van degene die het teken gaf? Moet degene die het teken interpreteert altijd rekening houden met die bedoelingen? Wat zijn eigenlijk de vooronderstellingen van de interpreet?
Het feit dat literatuurwetenschappers zichzelf zulke vragen stellen over de vooronderstellingen en de principes van wat ze doen als ze betekenis toekennen aan een tekst, onderscheidt ze van beoefenaren van andere vormen van literatuurbeschouwing, zoals de literaire kritiek. Het maakt hun afzonderlijke interpretaties van literaire teksten niet noodzakelijk beter (juister) of interessanter (creatiever, spannender) dan die van andere interpreten (bijvoorbeeld critici). Wel is het zo dat het soort tekstinterpretatie dat de literatuurwetenschapper beoefent andere doelen dient dan de (minder aan regels gebonden, minder gereflecteerde) interpretaties van critici.
Ook over die doelen van de literatuurwetenschap moet het gaan in de colleges van het komend semester. Ik zal mij studenten voorhouden dat interpretatie van literaire teksten voor de literatuurwetenschapper nooit een doel op zich kan zijn. Tekstinterpretatie als wetenschappelijke discipline is altijd probleemgestuurd: het is een vaardigheid of techniek die wordt ingezet in het kader van bredere, over het algemeen cultuurhistorische of ideologiekritische, vraagstellingen. Die inbedding maakt het noodzakelijk dat onze studenten leren dat aan interpretaties een bepaalde systematiek ten grondslag ligt, en dat interpreten hun aannames en vooronderstellingen expliciteren.
‘Zo is het’, denk ik, nu ik de bovenstaande alinea’s nog eens overlees. Maar dan spreekt vooral de professional in mij, de man die ziet dat zijn vak het in deze tijden van schaarse onderzoeksmiddelen dreigt af te leggen in de rat race tussen wetenschapsgebieden. Als letterkundige die ook rekening wil houden met wat de maatschappij van hem verwacht, die aanvaardt dat van (academische) letterkundigen wordt verwacht dat nadenken over wat de betekenis is van literatuur voor het leven, kan ik toch ook de toverkunst niet loslaten. Ik zal de docenten die volgende week met onze nieuwe eerstejaars in werkgroepen over literaire teksten gebogen zullen zitten dan ook zeker stimuleren om onze vele nieuwe eerstejaars de schellen van de ogen te doen vallen. Leve de toverkunst van de interpretatie!
Instructief hierbij is vooral ook p. 22 van Van Bastelaeres Woesj! (Vantilt, 2001).
BeantwoordenVerwijderenJa, die arme Hugo Brems, die daar zo ongenadig al Van Bastelaere's studiefrustratie over zich heen krijgt. Maar los van Hugo: Van Bastelaere had toen (het stuk stamt uit 1990) natuurlijk gelijk voor wat betreft zijn aanval op het pre-theoretische geinterpreteer van wat in het Engelse taalgebied 'liberal humanism' heet. Maar we zijn alweer bijna twintig jaar verder, en Van Bastelaeres postmoderne reflex heeft z'n effect ruimschoots gehad. Inmiddels moeten we ons vooral afvragen of er geen alternatieven zijn voor wat vanuit postmoderne hoek tegenover de naïveteit en de olympische arrogantie van dat humanisme geplaatst is. Ik vind in dat verband de opmerkingen die Van Bastelaere tien jaar later maakte over dat Brems-stuk dan ook veel interessanter. Die staan op p.261 van Wwwhhooosshhh.
BeantwoordenVerwijderenVanaf circa 1870 spreekt het niet meer vanzelf dat gedichten een betekenis hebben. Er zijn zelfs momenten geweest dat bepaalde dichters uitdrukkelijk verkondigden dat, in navolging van de dood van ‘god’, hun teksten geen betekenis droegen. De dichters van dada, bijvoorbeeld, deden dat. Deze, de poëzie demaskerende, vaak provocatieve oprispingen hebben echter niet kunnen verhinderen dat andere dichters teksten bleven maken die onmiskenbaar iets te betekenen hadden. Wel hebben rebellieën als die van dada tot reflectie en scepsis gedwongen. Dat was en is hun functie in de literatuurgeschiedenis – hun enige functie, aangezien deze poëzie een intrinsieke waarde ontbeert. Ook de recente ontwikkelingen op het gebied van poëzie nopen tot nadenken. De eerste vraag die iemand die een gedicht krijgt voorgeschoteld, zichzelf dient te stellen is niet meer: ‘welke betekenis kan ik aan deze tekst toekennen?’, maar ‘wil ik nog betekenis aan deze tekst toekennen?’ Voor wat betreft ‘flarf’ of ‘the longest poem in the world’, om maar twee voorbeelden te noemen, beantwoord ik die vraag in elk geval negatief. Nee, ik wil de moeite niet nemen om betekenis uit gedichten te distilleren terwijl ik op voorhand weet dat die er niet is ingestopt. Maar waarom zou ik dat dan nog wel bij andere gedichten willen? Die vraag ligt overigens niet of niet alleen op het terrein van de cultuurgeschiedenis of de ideologiekritiek, maar op het gebied van de filosofie – en getuigt van het hoogst denkbare engagement.
BeantwoordenVerwijderenEen gedicht kan als een platonisch artefact beschouwd worden. Als er al betekenis aan een gedicht toegekend wordt, dan kan dat dan ook op twee niveaus geschieden. De eerstelijns analyse van een gedicht schrijft de betekenis A aan een tekst toe of de betekenissen A, B en C, in het geval dat een tekst meerduidig is. De analyse die op het tweede niveau plaats vindt (eigenlijk geen analyse meer maar de invoering in een meditatie), overstijgt de eerstelijns ontleding en leidt tot wat als een transcendente interpretatie betiteld zou kunnen worden. In deze analyse detecteert de interpretator een verbinding tussen het gedicht en iets wat buiten het gedicht is gesitueerd, maar tevens buiten de empirisch waarneembare werkelijkheid. Het gedicht verleent de lezer een kortstondige glimp in de wereld aan gene zijde. Deze eigenschap van gedichten heeft aan menige lezer vaak formuleringen als ‘de magie van een gedicht’ of ‘het schoone geheim der poëzie’ ontlokt. Het koppelt poëzie aan mystiek en toverkunst. Een ieder die zich gevoelig toont voor deze dimensie in gedichten, verschilt in essentie niet van de persoon die zich laat ontvallen in ‘god’ of in ‘iets’ te geloven. Het vertegenwoordigt een geloofsdaad die willens of wetens gesteld wordt. Wie zegt betekenis aan een gedicht te willen toekennen, ontkomt er niet aan om tot het uiterste te gaan en zal uiteindelijk belanden in zijn eigen religieuze domein, een sfeer die zich een vaste plek in het menselijke brein heeft verworven: de noodzakelijkheid van de behoeft aan troost, aan hoop, aan zingeving en aan onsterfelijkheid, waaraan geen mens ontsnapt. Voor diegenen die ‘het schoone geheim der poëzie’ niet meer willen doorgronden, geldt dat de poëzie net zo goed opgedoekt kan worden. Indien we ons allemaal consistent zouden gedragen als de logisch-positivistische, empirische wezens die we zouden moeten zijn omdat we donders goed weten dat er nooit een god bestaan heeft of zal bestaan, zou afschaffing de uiterste consequentie voor de poëzie zijn, wellicht gevolgd door andere consequenties – voor het zijn. Hoe het ook zij, de constante dialectische oscillaties tussen betekenis toekennen of geen betekenis toekennen, tussen geloven en niet-geloven leiden steevast tot de synthese van het niets – en tot niets anders.
"Wel hebben rebellieën als die van dada tot reflectie en scepsis gedwongen. Dat was en is hun functie in de literatuurgeschiedenis – hun enige functie, aangezien deze poëzie een intrinsieke waarde ontbeert."
BeantwoordenVerwijderenNietes!
Hartelijke groet,
Samuel Vriezen
Thomas,
BeantwoordenVerwijderenDat die praktijk om vooronderstellingen te verzwijgen een 'sociologische' (om het zo maar te noemen) component heeft, is natuurlijk zo. Een soort 'bovenbouw' die wel altijd aanwezig zal blijven, zo lang ze niet gedwongen wordt haar methoden te expliciteren. Maar Van Bastelaere's analyse van de analyse vormt de 'onderbouw' van die naïveteit en arrogantie. Hij lijkt op p. 261 te zeggen dat het allemaal weinig zin heeft gehad. Misschien is dat zo (ik kan dat niet beoordelen, en daarom is reageren op dit weblog voor buitenstaanders zoals ikzelf ook een wat onzekere aangelegenheid) - maar de waarneming dat literatuur door humanisten als een gegeven grootheid wordt opgevat blijft van kracht: zolang de enige eis aan literatuur is dat dat ze uit analyseerbare taal bestaat, is men zeker van zijn broodwinning.
Allicht is dat een postmoderne kritiek: een die de verzwegen vooronderstellingen van bepaalde beweringen nagaat. Wat nodig is, is een meer vitaal, 'immanent' perspectief, dat literatuur en de werkelijkheid onder één gezichtspunt vat, waardoor er een besef van urgentie kan ontstaan, die de vraag aan de orde stelt of het wel het goede moment om viool te spelen als de wereld in brand staat. Die inherent perverse literatuuropvatting mag ook van mij op de schop.
Ja, Rutger, maar er is natuurlijk best een setting denkbaar waarin dat vioolspel-bij-wereldbrand best een effectieve daad van verzet zou kunnen zijn. En dat heeft toch ook met de intrinsieke waarde van het vioolspel te maken. Het moet ons om die intrinsieke waarde te doen zijn (ook, zie Samuel, bij zoiets ondermijnends als dada). Alleen via de weg van de analyse van 'intrinsieke waarde' komen we een eventueel kritisch potentieel op het spoor. Maar dat is iets anders dan zemelen over een schoon geheim (daar had Van Bastelaere volkomen gelijk in).
BeantwoordenVerwijderenDe uitdrukking ‘een schoon geheim’ is een oubollige uitdrukking om aan te geven dat gedichten eigenschappen bezitten die ervoor zorgen dat de lezer zich in verwondering af moet vragen of er wel staat wat er staat. Doet ‘een schoon geheim’ nu inderdaad ouderwets of zelfs ridicuul aan, de schrijver bedoelt niets anders te zeggen dan wat Nijhoff voor ogen had toen hij ‘er staat niet wat er staat’ noteerde. Dada ondermijnde die eigenschappen van het gedicht door ‘het schoone geheim’ onherroepelijk te loochenen.
BeantwoordenVerwijderenDat een dichter die midden in een wereldbrand verkeert, andersoortige gedichten schrijft dan de dichter die een dergelijke beproeving bespaard blijft, is evident. Het zou niet goed zijn als het anders was. Waar het om gaat is dat de eenzijdige keuze in de poëzie voor de rigoureuze negatie van de uitdrukking ‘er staat niet wat er staat’ automatisch de vernietiging van de poëzie inhoudt. Dat er pogingen worden ondernomen om heilige huisjes te slechten valt altijd toe te juichen, net als het fileren van volzinnen die daar in hun hoogdravendheid ostentatief om smeken, maar de consistente sloper neemt in dat karwei ten langen leste ook zichzelf mee. En dat dichters nieuwe wijzen van uitdrukking vinden en moeten vinden, staat eveneens buiten kijf. Maar de dichter die in en door een gedicht stelt dat hij gedichten voor fundamenteel deficiënt houdt, en dat is wat dada doet, die hoeft dat slechts die ene keer te doen en daarna moet hij het dichten laten – als hij zichzelf serieus neemt en consequent is. Dat niet alleen: na dada is het dichten vrolijk en niet-vrolijk doorgegaan. Overigens schuilt ook in de postmoderne discours het gevaar van de vernietiging van binnen uit. Maar zelfs na de postmoderne windvlaag zal het dichten vrijwel onverstoorbaar doorgaan.
Het geheel van de dichtkunst en alles wat daarmee samenhangt, inclusief deze discussie, weerspiegelt het paradoxale van de menselijke situatie. Binnen die paradox zijn drie standpunten denkbaar. De eerste optie, de ratio volgend, is de keuze voor de logisch-positivistische, empirische weg die ‘het schoone geheim’ categorisch ontkent en zelfs de kleinste tekenen ervan in de kiem smoort. Dit leidt tot eenzijdig materiële zingeving. De wereld van het niets voordat het niets er is. In de gedichten staat wat er staat. De tweede optie, de spirituele aandrang gehoorzamend, houdt de keuze in voor het geloof dat er meer is dan wat wij waarnemen en voor de teleologische auto-illusie. Deze keuze leidt in de ergste gevallen tot perfide pseudo-spiritualiteit, Crowleyaans-pornografische liturgie en misselijk makende kwezelarij, terwijl de gedichten vaak in halfgoddelijk, bombastisch gebral ontaarden. Wat erin staat, zweeft altijd in het verborgene, boven of achter wat er staat. De derde optie is niet kiezen hetzij omdat je nergens vanaf weet of omdat het je niet interesseert, hetzij omdat je geen keuze kunt of wilt maken, om de simpele reden dat je, al naar gelang je stemming, nu eens naar het ene en dan weer naar het andere neigt. Ergens in dat spanningsveld meandert de gulden middenweg van de poëzie die er toe doet en waaraan ik in elk geval betekenis wil blijven toekennen. Die weg zal er altijd liggen.
Hear, hear!
BeantwoordenVerwijderenAlle drie de opties die je noemt, Leo, vind ik onaantrekkelijk. Logisch-positivisme en mystiek maken allebei passief. Niet kiezen is al helemaal niks. Zelf pleit ik voor een radicaal realisme: er staat wat er staat, maar dat is geen simpele zaak, want elk woord is een schakelpunt binnen een excessieve werkelijkheid. Die tijdens het spreken zelf steeds opnieuw gevormd wordt. Woordgebruik is dan ook altijd een kwestie van keuze, voor lezer zowel als voor schrijver; en betekenisloze taaluitingen bestaan niet.
BeantwoordenVerwijderenWat de intrinsieke waarde van Dada betreft: bijna altijd als ik op een podium een voordracht van een vooroorlogs gedicht hoor dezer dagen is het van een Dadaist. Steeds weer grijpen mensen naar oersonates, letterklankbeelden en naar anna bloem. Maar dan werkt de normale opvatting van Dada als zuivere ondermijning niet. Er is kennelijk wel degelijk iets geproduceerd.
(Badiou wijst trouwens op de symmetrie tussen logisch-positivisme en mystiek: het zijn twee kanten van dezelfde zaak, namelijk de ideologie van de eindigheid van de mens, die hem afhoudt van zijn toegang tot de oneindigheid: feitelijk zijn vermogen tot ethisch handelen - het vermogen situaties te transformeren door elementen van buiten de grenzen van de situatie te erkennen, en gevolg te geven aan de consequenties daarvan.)
BeantwoordenVerwijderenSamuel, de opties die ik noem (die ik herhaal, want deze discussie is zo oud als het denken) schitteren inderdaad door onaantrekkelijkheid. Ze laten een mens in feite hetzij met placebo-achtige lapmiddelen hetzij met lege handen en hoofden, maar in elk geval verweesd achter. Ze voeden een van de essentiële kenmerken van het bestaan waar de mens onder gebukt gaat, de onzekerheid. Ze rakelen de onbevredigdheid op. Ze frustreren. Bieden oplossing noch verlossing.
BeantwoordenVerwijderenBetekenisloze taaluitingen bestaan inderdaad niet. Elke talige expressie, zelfs die van volstrekt willekeurig gerangschikte taaltekens, heeft betekenis. De crux zit ‘em daarin dat ik de wil moet opbrengen om die betekenis er uit te halen. Het resultaat van waar een dichter voor gekozen heeft, bepaalt of ik in een gedicht wil investeren, of niet. De betekenis van een dadaïstisch gedicht is geen andere dan dat gedichten betekenis ontberen. Zo’n boodschap van destructie moet mij provoceren, moet mij uit mijn gezapige leventje rukken en moet mij bewust maken van het zwaard van Damocles van de contingentie, de dood en het niets dat boven onze hoofden hangt. Dat is de functie en de waarde van dada. Maar ik hoef die tijding slechts één keer te ontvangen, omdat ik vervolgens weer zin moet geven – dat wat we allemaal op onze eigen manier doen. Als er nog meer dadaïstische berichten volgen, dan haak ik af omdat ik bij voorbaat weet wat de inhoud ervan is. De betekenis, namelijk dat er geen betekenis bestaat, staat a priori vast. Dan hoef en wil ik geen betekenis meer toekennen.
Dat dada het vanaf de nieuwe kansels goed doet, neem ik graag aan. Ik ben geen liefhebber van performance poetry (zoals ik ook Badiou niet idoliseer – integendeel) maar de keren dat ik ermee geconfronteerd werd, was ik soms diep onder de indruk, maar dan op dezelfde manier onder de indruk als wanneer ik bijvoorbeeld een optreden van een giftige cabaretier, een begenadigde preker of een Selfkicker bijwoon. Zelfs de wijze waarop Alistair Crowley ‘The poet’ voordraagt, boezemt nog enig ontzag in. Maar niet omdat ‘The poet’ een prachtgedicht is.
"Betekenisloze taaluitingen bestaan inderdaad niet."
BeantwoordenVerwijderen"De betekenis van een dadaïstisch gedicht is geen andere dan dat gedichten betekenis ontberen."
Dat, samen genomen, begrijp ik niet.
Maar goed, ik denk dat we elkaar niet makkelijk gaan vinden: mijns inziens is het idee dat het bij Dada alleen om destructie zou gaan op zijn gunstigst alleen daarom geldig omdat enkele Dadaïsten dat wellicht zelf als provocatieve poëtica hebben uitgedragen.
Als je daarentegen gaat kijken naar waar Dada uit bestaat - ik bedoel uit de werken zelf - en ook naar de tradities die zich op Dada beroepen, dan blijkt het idee dat het allemaal steeds weer dezelfde destructieve boodschap is gewoon onhoudbaar. "Bij voorbaat weten wat de boodschap is" is volgens mij de normale stand van zaken bij elke lezer, en precies wat elke lezer idealiter bij zichzelf dient te bestrijden. (Dat geldt evengoed voor mijzelf, bijvoorbeeld).
In casu Dadae (cq Dadarum): het verschil tussen Tzara, Arp, Hausmann, Schwitters en Bonset (ik roep maar wat namen) is groot, als je goed kijkt tenminste; laat staan het verschil tussen, zeg, Dada, Fluxus, Barbarber en Flarf. Die verschillen zijn aan te duiden, en hebben alleen al daarom betekenis. Dadaïstische gestes werken in verschillende tijden en contexten en werelden steeds opnieuw weer op een andere manier. Bijvoorbeeld, de ready-made van Duchamp is niet hetzelfde als het gebruik van gevonden taal op internet door Flarfdichters of het overschrijven van de krant door Kenneth Goldsmith. Het lijkt dezelfde geste, maar dat is het niet. (Het opsporen van dat soort verschillen binnen ogenschijnlijk dezelfde artistieke vormen zou een mooi deel van een college literaire analyse kunnen zijn!)
Daar zit een prachtige paradox trouwens in het betekenisloze. Het betekenisloze komt niet in één vorm - juíst niet! Het is eerder zo dat, ten opzichte van een of andere consensus over "het literaire", de betekenissen telbaar en indeelbaar zijn. Het betekenisloze daarentegen heeft geen getal: niet omdat het uniek is (het unieke heeft een getal, en wel het getal 1), maar om het elk getal overstijgt.
Als lezer de nadruk blijven leggen op het "ontbreken van betekenis", het destructieve, enzovoort is een keuze. Het is de keuze voor het vasthouden aan een bestaand stelsel van betekenis. Maar het is spannender om juist van dat wat zich in eerste instantie als betekenisloos voordoet, de betekenis te zoeken. Dadaïsme en verwanten zijn dan ook mijns inziens beter op te vatten als productieve dan als destructieve stromingen. Als een zo zuiver mogelijke productie zelfs, want niet zo maar te herleiden tot wat we al wisten: dat is precies de uitdaging er van.
Inderdaad heeft een poëtica van de destructie weinig houdbaarheid; we hoeven alleen maar tien jaar later vast te stellen dat de wereld nog steeds bestaat. Maar Dada bestaat intussen ook. Het was dus niet destructief. Wat was het dan wel? Bij zulke vragen pas begint volgens mij een intellectueel avontuur.
Ik was niet van plan in deze discussie terug te keren, maar nu Komrij en een stoet van dwergen in zijn Facebook-kielzog zich er aan ergeren, moet ik wel.
BeantwoordenVerwijderenNu de vraag: wat zal ik zeggen?
O ja!
Eh...
Nou, bij voorbeeld dat Dada destijds wel degelijk 'destructief' was, maar dat het destructieve zelf productief is gebleken. De vraag is alleen of het (jargon alert!) post-postmodernisme het van zulke impulsen moet hebben. Uit het verzet tegen Thomas' boek blijkt wel, dat iets als Dada wel het laatste is waar mensen op zitten te wachten; men wil de kunst juist uit alle macht tegen dat soort relativering beschermen. Waarom? Omdat de invloed van kunst (c.q. literatuur) op de maatschappelijke werkelijkheid binnen de perken blijft, zolang ze zichzelf niet te buiten gaat; dáárom is kunst mooi, bijzonder, onaantastbaar, onvergankelijk, magisch, heilig. Daar moet men met zijn poten van afblijven, want anders...
Lyriek is de moeder der politiek
ik ben niets dan omroeper van oproer...
(zie het plaatje op de voorkant van De revanche van de roman)
Iets anders, Samuel, over dat unieke, en dat getal 1 dat eraan moet worden toegekend. Wat mij betreft is er maar één kandidaat voor zo'n uniciteit, en dat is de algehele immanentie. Daarbinnen bestaat geen uniciteit, omdat iets alleen maar uniek kan zijn wanneer het met zichzelf overeenkomt - maar daarmee wordt dus al een verschil verondersteld (hier haken de laatste lezers af). Op gelijke wijze bestaat volgens mij ook het 'betekenisloze' niet, noch de destructie van betekenis, want ook die brengt betekenis voort. De dingen bestaan niet op zichzelf: dat is juist de premisse die de verdedigers van het 'schone geheim' en van de 'onaantastbare kunst' nodig hebben om het zaakje te isoleren en van betekenis te beroven, voor zover ze kunnen.
Terzijde: Waarom laten Komrij en zijn ironische acolieten, de rebellen van de koninklijke nederlandse poëzieclub, zich nou nooit eens zien?
BeantwoordenVerwijderenOmdat als ze geen afstand houden, ze iets te melden moeten hebben. Daar hebben ze vanzelfsprekend geen zin in. Te druk met knappe sonnetten. Maar wat ik dan zo merkwaardig vind: waarom gaan ze dan wel op veilige afstand op Facebook een beetje zitten smiespelen? Hebben ze geen eigen onderwerpen?
Nou ja, genoeg daarvan - men moet misschien de Naam van de Demon niet al te hard roepen. Zeker niet in andermans huis. Ik zal eens een kijkje nemen op Komrij's profiel. (mijn excuses, Neerlandici!)