Op de NRC Opiniepagina van afgelopen vrijdag (25-9-2009) vindt P.F. Thomése dat recensent Stine Jensen personages in romans niet mag verwarren met de schrijver van die romans. Dat is redelijk. Maar dan blijkt Thomése een complot op het spoor. Een complot van ‘de zogeheten nieuwgeletterden, de leuke moderne mensen met een mening’.Zulke mensen, zegt Thomése, verwarren de uitspraken van personages en de opvattingen van hun schepper met opzet omdat ze moralisten zijn die in de literatuur een ideaal werkterrein zien, want daar kunnen feit en verbeelding zo lekker door elkaar heen gehaald worden. En dan ontstaat een vorm van ‘gelul’, waarmee ‘mevrouw Jensen en met haar zo heel veel anderen zo’n dankbare broodwinning hebben gevonden’. Het is tijd om hen te gaan tegenspreken, zegt Thomése dan, want ‘de kloof tussen auteur en personage is geen flauw ironisch en/of postmodernistisch trucje om vrijblijvende praatjes rond te strooien. Ondanks wat er overal over beweerd wordt, zelfs op onze universiteiten’.
Thomése zegt niet waar hij zijn wijsheid over ‘onze universiteiten’ vandaan heeft. Ook maakt hij niet duidelijk wie er overal van alles beweren over ironische en/of postmodernistische trucjes. Het zijn de vage beschuldigingen van iemand die ergens een klok heeft horen luiden. Iemand die in zijn ijver het vermeende complot te bestrijden de discussie over de relatie tussen feit en fictie, tussen werkelijkheid en literatuur veel te eenvoudig voorstelt.
De verwarring waar Thomése zich tegen teweer stelt, is allerminst nieuw. Befaamd is bijvoorbeeld in literaire kringen de rechtszaak die in 1952 aangespannen werd tegen de auteur W.F. Hermans omdat een personage in zijn roman Ik heb altijd gelijk het katholieke volksdeel beledigd had. Het was destijds een academicus, prof. dr. G. Stuiveling, die als getuige-deskundige optrad. ‘Wanneer enig auteur aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor wat hij zijn personages laat zeggen’, zei Stuiveling destijds, dan ‘zou er geen enkel toneelstuk meer kunnen worden opgevoerd’. Daar had de Amsterdamse hoogleraar Nederlandse letterkunde natuurlijk gelijk in: waar mensen of personages met elkaar in dialoog treden, zoals in een toneelstuk of roman, vindt er altijd een botsing van meningen plaats. Wie de auteur wil afrekenen op een van die meningen, die staat tegenover de rechter niet sterk.
Stuiveling kreeg zijn zin. Hermans’ vrijspraak markeerde de sociale aanvaarding van de conventie dat wat er in een literaire tekst gebeurt niet zomaar op de werkelijkheid van de auteur betrokken mag worden. Die autonomie werd een soort mensenrecht van de schrijver. Dat is het gelukkig nog steeds, maar je kunt je ook afvragen of Hermans met zijn roman niet toch een wat meer inhoudelijke discussie op gang had willen helpen. Volgens de overlevering verliet de auteur in elk geval de rechtszaal met een gezicht als een oorwurm: van triomfalisme was geen sprake.
Een schrijver experimenteert in zijn roman met opinies, standpunten, gedachten en gevoelens. Soms worden die toegeschreven aan een personage, soms is het de vertelinstantie, soms zijn standpunten of gedachten alleen maar geïmpliceerd. De roman kan nooit tot een van die standpunten of gedachten worden gereduceerd, tot zover ben ik het helemaal met Thomése eens: daarvoor klinken er te veel stemmen in de klankkast die een roman is. Maar daar staat tegenover dat geen enkele stem uit die roman kan worden weggelaten. Dan wordt het een roman die ofwel iets anders ter discussie stelt, ofwel hetzelfde op een andere manier.
De ‘betekenis’ van een roman moet begrepen worden in termen van resonanties: de resonanties van maatschappelijke onderwerpen binnen de veelstemmige klankkast van de roman (wat komt er uit de buitenwereld in de roman terecht?) en de resonanties van de roman in de buitenwereld (wat is het effect van de roman?). De roman-als-klankkast intervenieert op een heel bijzondere, complexe en specifiek literaire manier in de wereld. Auteurs zijn zich vanzelfsprekend van die complexiteit bewust, maar in de praktijk blijkt het niet eenvoudig te zijn haar voor het voetlicht te krijgen op het moment dat die auteurs, zoals Hermans overkwam, op weinig subtiele wijze aangevallen worden op wat hun personages beweren.
Vijfendertig jaar na Ik heb altijd gelijk lag opnieuw een schrijver onder vuur. Criticus Aa
d Nuis sprak naar aanleiding van Frans Kellendonks Mystiek lichaam van ‘onmiskenbaar antisemitisme’ en vond de roman ‘opvallend rijk aan weerzinwekkende onzin’. Van een rechtszaak kwam het deze keer niet, maar dat weerhield de academische literatuurbeschouwing er niet van de aangevallen schrijver opnieuw (en met dezelfde argumenten als Stuiveling destijds) te verdedigen. Neerlandici wezen er nog maar eens op dat een auteur niet op basis van uitlatingen van zijn personages veroordeeld kan worden. Zeker niet in een roman die zo ironisch was als deze van Kellendonk.Voor iemand die het vooral belangrijk vindt dat auteurs in discussies over literatuur buiten schot blijven, is de kous hiermee misschien af. Kellendonk, echter, was niet tevreden. Vanzelfsprekend heeft hij nergens verantwoordelijkheid genomen voor de uitlatingen van zijn personages (‘in een roman worden denkbeelden niet verkondigd, maar gedramatiseerd’, aldus Kellendonk), maar hij eiste wel de verantwoordelijkheid op voor de klankkast Mystiek lichaam. ‘De roman als geheel heeft wel degelijk een strekking waarop de schrijver mag worden aangesproken’, zei hij in een interview: ‘die strekking is de resultante van alle op elkaar inwerkende krachten in het drama van het boek. En is overigens weer iets anders dan de bedoeling van de schrijver, zoals hij die in voorwoorden of in vraaggesprekken te kennen heeft gegeven’.
‘Een auteur en zijn personage moet je echt uit elkaar zien te houden. Anders houdt het op’, schrijft nu Thomése. Dat punt maakte destijds Stuiveling ook al, maar Hermans trok er een zuur gezicht bij. En Kellendonk, vijfendertig jaar later, zag misschien nog scherper dat het maar het halve verhaal is. Het is een reflex die op zichzelf volkomen juist is, maar die ons, als we erin blijven steken, belet een roman serieus te nemen. Want waar hebben we het nog over als we, bang om voor idioot of ‘nieuwgeletterde’ uitgemaakt te worden, de uitspraken van Thomése-personages als J. Kessels (J.Kessels: the Novel) of Fons Nieuwenhuijs en Hans Portielje (Vladiwostok!) niet ernstig durven nemen als door de auteur noodzakelijk gevonden ingrediënten van een complexe bijdrage aan de discussie over onze samenleving? De door Thomése gewraakte passage in het stuk van Stine Jensen heeft betrekking op de manier waarop in Thomése werk mannen worden geportretteerd. Ik vind dat Jensen best iets mag vinden van de vrolijke macho Kessels of de zelfverzekerde klootzakken Nieuwenhuis en Portielje. En ik vind het vreemd dat Thomése boos wordt wanneer zij zich afvraagt of de representaties van zulke types in de literatuur wellicht iets over onze wereld zegt. Dat kan ik niet rijmen met de vlammende scherpte van de satire Vladiwostok! Waarom gaat Thomése niet voor dat boek staan? De van sarcasme doortrokken kop boven zijn stuk, ‘Waarom ik een seksistische macho ben’, is een flauwe reactie, waarmee de auteur zichzelf én de literatuur tekort doet.
Reactie op http://blogger.xs4all.nl/cornets5/archive/2009/10/07/523186.aspx
BeantwoordenVerwijderen