zondag 20 september 2009

Relatieve zaken

Vrijdagavond organiseerde de literaire stichting Perdu een thema-avond naar aanleiding van een boek dat – voor de vaste lezers van deze blog – geen introductie meer behoeft: De revanche van de roman van Thomas Vaessens.

Een viertal literatuurwetenschappers sprak over de stellingen die Vaessens in zijn boek poneert én over de reacties die daarop vanuit de gehele breedte van het literaire veld loskwamen. Het is een discussie die zich inmiddels ver buiten de muren van de door Vaessens beschreven literair-wetenschappelijke ivoren toren heeft uitgeplooid. Critici, wetenschappers en auteurs, variërend van Carel Peeters tot Connie Palmen, lieten via uiteenlopende media hun licht op de kwestie schijnen, en de kritiek was hier en daar niet mals. Ernst van den Hemel, een van de sprekers van de avond, vatte in zijn bijdrage aardig samen waar de tegenwerpingen van de criticasters van De revanche van de roman grofweg op neer kwamen: Vaessens wil de literatuur in de uitverkoop gooien en staat een vercommercialisering van de literatuur voor.

Dit idee resoneerde tijdens de avond bij een aantal van de sprekers. Sven Vitse en Nicoline Timmer leken ‘hun’ literatuur, het object van hun onderzoek, te willen beschermen tegen alle nare en onterechte kwalificaties die er onder de noemer van het (laat)postmodernisme tegen aan zijn geworpen. Vitse schonk speciale aandacht aan de Vlaamse literatuur en betoogde dat postmodernisme bij auteurs als Peter Terrin en Jeroen Theunissen weinig te maken heeft met het ‘anything goes’-achtige relativisme dat Vaessens in zijn boek schetst. Vitse stelde dat relativisme in postmoderne literatuur vaak iets heel anders betekent dan onverschilligheid. Relativiteit, een begrip dat Vitse (voor het gemak) aannam als het achterliggende principe van de relativistische houding, betekent slechts dat iets pas iets betekent in relatie of verhouding tot een ander iets. Relativisme is, kortom, dingen in verhouding zien. Geen meningloosheid, maar beseffen dat jouw mening niet beter is dan die van iemand anders.

Timmer, die promoveerde op een aantal Amerikaanse ‘postpostmoderne’ auteurs, ging in op de manier waarop dat postpostmodernisme zich verhoudt tot het Nederlandse laatpostmodernisme. De niet zo lang geleden overleden romancier David Foster Wallace had haar speciale aandacht. Ze prees de manier waarop deze auteur eindelijk een vorm van herkenning wist te creëren bij de huidige generatie ‘neurotische intellectuelen’ die het moeilijk vinden in een wereld waar alles deconstrueerbaar en dus relatief is nog contact te maken. ‘Goede’ literatuur, die vernieuwend is in vorm, en niet per se in onderwerp, was het wapen van Wallace. Dat zijn literatuur moeilijk of elitair is, is dan geen nadeel maar juist winst, aldus Timmer. Het postmodernisme is een talig probleem en daarom moeten er ook talige boodschappen voor gezocht worden. We zitten allemaal gevangen in de taal, maar ‘at least we’re all in it together’, zo citeerde Timmer Wallace.

Een ander punt van kritiek op De revanche van de roman, zoals hier ook eerder aan de orde kwam, is het gemis aan de behandeling van migrantenauteurs. Alle sprekers van de avond scheerden rakelings langs dit onderwerp, met uitzondering van Willem Bongers, die zijn pijlen had geslepen om precies deze kwestie te bespreken. Zo leek het, althans, want uiteindelijk trof ook Bongers geen doel. In plaats van aan te geven waarom auteurs als Abdelkader Benali en Hafid Bouazza een plekje zouden verdienen in het boek van Vaessens, hield hij een betoog vanuit zijn eigen preoccupatie met het verschijnsel ‘postuur’: de representatie van een auteur in het veld via zijn werk (intern) en verschijning in het openbaar (extern). Kader Abdolah, als ‘nadrukkelijk Iraanse’ publieke intellectueel, was hierin een goed voorbeeld. Een interessant punt in de sfeer van auteur en publiek, maar helaas geen antwoord op het boek van Vaessens. Bongers sprak in het geheel niet over tekstinterne kwaliteiten, terwijl die in het betoog van Vaessens toch van groot belang zijn.

Het tekende de lezingen: iedere spreker keek vanuit de eigen agenda naar de kwestie, waardoor er in feite verschillende discussies door elkaar heen gevoerd werden. Terwijl het onderwerp op zich al gecompliceerd genoeg is. Van den Hemel was de enige die aangaf wat het probleem van het boek van Vaessens en de discussie eromheen is: het gebrek aan duidelijke parameters en criteria. Helaas schiep ook zijn verhaal weinig duidelijkheid over de moeilijkste maar ook meest prangende vraag van de discussie: wat betekent nu eigenlijk engagement?

Op deze avond, die door het vele heen en weer geschuif van stoelen en onderlinge gemompel een wat onrustig karakter had, was het slechts een aantal momenten helemaal stil. Het overgrote deel van die momenten vond plaats tijdens de lezing van de onderzoekster die het spanningsveld tussen straatrumoer en literair isolement welhaast tot een cross-over performance wist te verheffen. Nicoline Timmer zette haar betoog voor moeilijke, elitaire kunst kracht bij door in het midden van haar verhaal een t-shirt te verhullen waar met rode borduurdraad de tekst ‘Hup de elite’ op was geweven. Ook toonde zij een zelfgemaakt filmpje, een collage van beelden van het lawaaiprotest dat na de moord op Theo van Gogh in Amsterdam plaatsvond. Dat kan straatrumoer dus ook zijn, aldus Timmer, kabaal maken vanuit het onvermogen een quasi-gedeelde ‘ervaring’ van een ‘gebeurtenis’ uit te drukken.

Ook al werd het haar in de einddiscussie door de meer literair-sociologisch georiënteerde Bongers niet in dank afgenomen, Timmers wond er in haar toedracht geen doekjes om: haar object van onderzoek was tevens haar object of affection. Timmer wist de luisteraars te betrekken, ja zelfs te engageren, met haar geïnspireerde woorden over het werk van Wallace. Het bracht de discussie, die alle hoeken en gaten van het culturele en maatschappelijke veld bereikte, weer terug naar datgene dat alle aanwezigen bond: de literatuur.

Tijdens de presentatie van De revanche van de roman in Spui25 zei Harry Mulisch dat er boeken zijn die ‘waar’ zijn en boeken die ‘waarachtig’ zijn. Oftewel; een gedramatiseerd verslag schrijven van de studentenprotesten in ’68 is heel iets anders dan het schrijven van een roman met eeuwigheidswaarde. Nu zijn er natuurlijk veel verschillende redenen om romans te lezen. Maar of het nu gaat over de kredietcrisis of Over De Liefde, willen niet alle lezers lezen om een manier vinden om zich tegenover bepaalde zaken te verhouden? Zowel die zaken als de manieren van verhouden kunnen uiteenlopende vormen aannemen, maar als deze avond één ding duidelijk maakte, was het wel dat dat bij de ‘deskundige’ lezers van literatuur niet anders is.

1 reacties: