zaterdag 31 oktober 2009

Marita

Een lange dag, vandaag, met voor de afwisseling eens niet 1000 dingen, maar slechts één: we vierden een marathonfeestje bij gelegenheid van het afscheid van Marita Mathijsen als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Marita met emeritaat? Tsja, ze wordt doorgaans jaren
jonger geschat dan ze eigenlijk is. Toen in 2003 Marita’s boek De gemaskerde eeuw verscheen, kende ik haar nog niet zo heel lang, maar toch lang genoeg om zeker te weten dat ze toen een jaar of twee, drieënvijftig was. Iemand voor wie de ‘pensioenplichtige leeftijd’ (Marita) nog ver, zeer ver weg was. Een wetenschapper in het zenit van haar carrière, vol plannen en ideeën en in full swing. Toen ik haar boek gelezen had, bleek dit allemaal te kloppen, behalve haar leeftijd.

Er zit veel Marita Mathijsen in De gemaskerde eeuw. Ze begint en eindigt het boek bij zichzelf: op de eerste bladzijden maken we kennis met het jonge meisje in Belfelt, dat tussen de Limburgse boerderijen en arbeidershuisjes de negentiende eeuw nog een hand kon geven. Op de laatste bladzijde staan we op het Spui in Amsterdam, midden in de heksenketel van de summer of love. Daar, schrijft Marita, werden de verworvenheden van de 19e eeuw voor het eerst zonder schroom geëtaleerd. Het demasqué van de eeuw was een feit.

Marita heeft er zelf ook tussen gestaan, in 1968. Als vierentwintigjarige studente, die wat vreesachtig achter haar aksie voerende man aanhobbelde, haar eigen ambitie om de brieven van de Schoolmeester uit te gaan geven nog even uitstellend voor de revolutie. Ze was erbij, en het gaat over haar. Die betrokkenheid, waarvan haar hele werk op het gebied van de 19e-eeuwse cultuur doortrokken is, maakt De gemaskerde eeuw zo’n onweerstaanbaar boek. Marita zet zichzelf nadrukkelijk in, als verbeeldingsrijke gids die het verleden bijna tastbaar maakt.

Het is dezelfde betrokkenheid die Marita’s colleges zo vermaard hebben gemaakt. Ze sleept allerlei attributen aan, sporttassen vol. De halve inboedel van de Nicolaes Maesstraat wordt aan de studenten getoond. En ze mogen er aan zitten. Voelen, ruiken. Aanschouwelijk onderwijs. Mooi moment is het jaarlijkse college waarin ze met een skelet komt aanzetten. Een hele onderneming, waarvoor ook haar verloofde Floris een hele dag vrij schijnt te nemen. Vorig jaar was ik er getuige van hoe hij in een aftandse Volvo met dat geraamte kwam aanrijden, en hoe Marita en hij, als twee kibbelende amanuenses, tien minuten met dat rammelende ding stonden te hannesen op de stoep. Maar de studenten hebben het er nóg over. Net als over de zwervers die Marita steevast in haar college over de 19e-eeuwse liefdadigheid uitnodigt. Of ze hebben het gewoon over Marita Mathijsen zelf. Dat dat toch zo’n markante persoonlijkheid is, die de 19e eeuw in haar colleges zo verbazingwekkend dichtbij weet te halen. We kunnen de negentiende eeuw ruiken, ook zonder zwervers.

De negentiende eeuw is een vrouw, zo begint Gemaskerde eeuw. Dat klopt. De negentiende eeuw is Marita Mathijsen.

Nou weet Marita als geen ander dat dat niet alleen goed nieuws is. De eeuw kan natuurlijk alleen gemaskerd zijn, als er ook wat te maskeren valt. Ontucht, misdaad, drankzucht – het gaat in Marita’s werk opvallend veel over de donkere, veile kanten van de mens.

We hebben Marita vandaag geloofd, geprezen, bedankt, bewonderd en in de adelstand verheven, maar persoonlijk houd ik vooral van haar omdat de lieve knuffelmarita ook een vileine, misschien wel een beetje gemene, menselijke kant heeft. Een kant die ze cultiveert en waar ze zelf met zo’n typische licht sardonische Marita-grinnik over kan vertellen. De Marita die subliem kan roddelen, die met aanstekelijke pretoogjes kan opscheppen, die haar collega’s nuttige, maar ongevraagde en op z'n zachtst gezegd onconventionele adviezen geeft op het gebied van liefde en seksualiteit, en die kwade bedoelingen op een kilometer afstand herkent.

Het leuke is dat al deze zegenrijke valsigheid volkomen openlijk en met grote innemendheid wordt geëtaleerd. Marita is en blijft de soixante-huitard (al zou je haar tenminste tien jaar jonger schatten) die niet van maskers houdt – ze heeft niet alleen de maskers van de 19e eeuw opzij geschoven, maar ook die van haarzelf. Ook in dat opzicht is er bij haar niet heel veel onderscheid tussen leven en werk. Ik ken geen andere collega die zichzelf zo persoonlijk, en zo volledig als mens inzet voor haar vak en voor de collega’s en promovendi om wie ze geeft.

Het was een prachtige dag, maar we blijven een beetje treurig achter. Als trotse, maar ook deemoedige bewaarders van Marita’s professionele erfenis, hopen we iets te hebben geërfd van de haar kenmerkende betrokkenheid: bij studenten, vakgenoten én het object van het vak.

Gelukkig mochten we Marita vandaag strijdbaar horen zeggen dat ze niet voor de goede zaak verloren is. Verrassend was dat niet (wie een beetje thuis is in de neerlandistiek of in de literatuur weet dat Marita’s energie en productiviteit niet te stuiten zijn en dat niets erop wijst dat dat zal veranderen), maar prettig wel. Dat emeritaat, dat is allemaal goed en wel, maar ze moet haar goede werken natuurlijk wel gewoon voortzetten. Want zoals zij, zo worden ze niet al te vaak geboren.

0 reacties:

Een reactie plaatsen