Afgelopen weekend heen en weer naar Leuven gereisd. Daar vond het afscheidscollege plaats van Hugo Brems, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Katholieke Universiteit Leuven. Brems heeft een lange staat van dienst als poëziecriticus (in o.a. DW&B), editeur (van de gedichten van Herman de Coninck), maar de meesten van ons zullen hem kennen als auteur van het standaardwerk Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006). Tijdens de viering zwaaiden hooggeleerde collega's en bevriende dichters (zoals Anton Korteweg en Leonard Nolens) de vertrekkende hoogleraar lof toe. Uiteraard hadden zijn collega's ook een afscheidsbundel voor hem samengesteld, zoals wel vaker het geval is wanneer een hoogleraar vertrekt (zie bijvoorbeeld de afscheidsbundel voor Marita Mathijsen), maar hier kreeg de pensioensgerechtigde letterkundige wel een heel bijzonder project-in-boekvorm aangeboden: de samenstellers van de bundel, getiteld Ergens beginnen. Bijdragen over Nederlandse poëzie (1967-2009) voor Hugo Brems bij zijn emeritaat, kozen voor elk jaar uit de periode 1967-2009 één poëziebundel en vroegen aan een veertigtal poëziebeschouwers uit Nederland en Vlaanderen om telkens over één van de geselecteerde bundels een essay te schrijven. Het resultaat is een soort poëziegeschiedenis-in-momentopnamen: divers en fragmentarisch, maar altijd interessant en inzichtgevend. (Zie ook deze posting op het blog van de VU.)
Na het boek in ontvangst te hebben genomen, sprak Brems zijn afscheidscollege uit. Hij blikte terug op zijn eerste kennismaking met poëzie (via Van Ostaijens "Panem et Singerem", later de experimentele gedichten van de Vijftigers) en zijn eerste werkcolleges in de jaren zestig. Veel is sindsdien veranderd, zo bleek, want Brems memoreerde hoe hij tijdens zijn eerste college de Verzen van Herman Gorter wilde behandelen met de studenten, waarop die protesteerden en, druk Marx en Lenin citerend, de docent er fijntjes op wezen dat poëzie hun inziens een luxe-artikel was, een product van de dominantie van de bourgeois, en dat de bestudering daarvan dus een reactionair iets was. (Dat die studenten juist tegen de marxist Gorter protesteerden, is natuurlijk de ironie van de geschiedenis.) De jonge Brems liet zich echter niet van de wijs brengen -- en dat is maar goed ook, want als hij de poëzie sindsdien links (of misschien eerder, in de ogen van de toenmalige studenten: rechts) had laten liggen, hadden we inspirerende werken als De dichter is een koe (1991) of Een zangwedstrijd. Over literatuur en macht (1994) moeten missen.Maar aan het slot van zijn rede werd duidelijk dat Brems toch wel degelijk oor heeft gehad voor de kritiek die zijn eerste studenten hem voorlegden. Zo constateerde hij dat de tijden dat een kleine club critici en literatuurkenners bepaalde wat wel en niet tot De Canon behoort voorgoed voorbij zijn. De letterkunde moet met haar tijd mee, stelde hij vervolgens, en het is dan ook een goede zaak dat critici, letterkundigen en literatuurwetenschappers van nu de traditionele opvattingen over wat literatuur is, en hoe je die zou moeten bestuderen, kritisch zijn gaan bevragen. Maar hoe we literatuur dan precies moeten onderzoeken, daar liet Brems zich niet over uit. Het is aan de jongere generaties letterkundigen, zo leek hij daarmee -- even wijselijk als galant -- te willen aangeven, om een antwoord te zoeken op die lastige en uitdagende vraag.
0 reacties:
Een reactie plaatsen