Doorgaans is januari een stille maand, maar het aanbod aan literaire activiteiten is desalniettemin veelbelovend. Hierbij presenteren wij de tweede agenda:
- Zaterdag 2 januari -
Stadsschouwburg
Heren van de thee
Aanvang: 20.00 uur.
Met: Cees Geel, Nienke Römer, Hein van der Heijden e.a.
‘In het woeste gebergte van Midden-Java voert Rudolf Kerkhoven strijd om een theeplantage tot bloei te brengen. Hij wordt niet alleen tegengewerkt door de natuur, maar ook door zijn eigen familie. Zijn vrouw Jennie kwijnt weg aan zijn zijde, maar Rudolf ziet het niet. Hij wordt verblindt door zijn streven van de theeplantage een succesvolle onderneming te maken. Als hij tot inkeer komt, is het te laat. Theaterbewerking van Heren van de thee, de bestseller van Hella S. Haasse uit 1992, door Hummelinck Stuurman Theaterbureau.’
Entree: vanaf € 18,50
- Donderdag 7 januari -
Stanislavski
Nieuw Amsterdam Live
Aanvang: 18.00 uur.
‘Uitgeverij Nieuw Amsterdam organiseert een maandelijkse culturele borrel in café-restaurant Stanislavski. Auteurs van Nieuw Amsterdam treden elke eerste donderdag van de maand op. Het programma biedt grappige, serieuze en ontroerende voordrachten, vaak met live muziek.’
Entree: gratis
- Maandag 18 januari -
Café Festina Lente
Poëzieslag 2010, 12e jaargang
Aanvang: 20.30 uur
'Op elke derde maandagavond van de maand, wordt er in Festina Lente een poëziewedstrijd georganiseerd in samenwerking met de stichting Poëzieslag. Hierbij strijden (maximaal) 12 aanstormende dichters om zowel een jury- als een publieksprijs met gedichten die ze zelf geschreven hebben.'
Entree: gratis
- Maandag 18 januari -
Bibliotheek Osdorp
Lezing door Jelle Brandt Corstius
Aanvang: 20:00 uur.
‘Een verblijf bij constant dronken rendierhouders in Siberië, een zoektocht naar uit de lucht gevallen ruimteafval in Mongolië, per tank door de toendra, in elkaar geslagen worden in een dorp boven de Poolcirkel en gearresteerd worden bij een bejaardendemonstratie: de reizen die Brandt Corstius beschrijft in Rusland voor gevorderden, zijn de Rough Guide ver voorbij.
Voor zijn bekende tv-serie Van Moskou tot Magadan ontving hij de eerste Theodor Award. Samen met Hans Pool (samensteller van het programma) werkt Jelle Brandt Corstius inmiddels aan een nieuwe serie, over een reis van Noord- naar Zuid-Rusland deze keer.’
Entree: € 5,00
- Donderdag 21 januari -
Spui25
Het woeden van de kritiek
Aanvang: 17:15 uur.
Met: Maarten Doorman.
‘Zolang er kunst bestaat, bestaat er kritiek en zolang er kritiek bestaat, is die verdacht. Is dat erg? Helemaal niet, integendeel. Het hoort bij het spanningsveld waarin de kunsten bloeien. De kunstenaar maakt iets, de recensent of criticus zegt als eerste wat hij ervan vindt en daarmee is het onmisbare gesprek geopend.
Sinds de Romantiek neemt de hoeveelheid kritiek toe, omdat de bestaande regels in de kunst afnemen; kunst wordt ambigu. Er staat niet meer wat er staat en je ziet niet meer wat je denkt. In de 20e eeuw krijgt kunstkritiek een hoge status, die de laatste decennia echter snel aan belang inboet. Zij verliest autoriteit en lijkt allengs minder greep te hebben op wat in de kunsten gaande is. Vooral de opkomende concurrentie op internet zet aan het denken over wat de rol van de kunstkritiek in de komende jaren zal zijn. Gaat het helling af of kondigt zich hier een nieuwe bloeiperiode aan?’
Entree: gratis
- Woensdag 27 januari -
Gelagkamer van de Corvershof, Nieuwe Herengracht 18
Het uur U: een klein meesterwerk van Martinus Nijhoff
Aanvang: 20.00 uur.
Met: André van Biezen, Abeltje Hoogenkamp en Janne van den Akker
‘Workshop over het 'Het uur U' van Martinus Nijhoff. "Het was zomerdag. De doodstille straat lag te blakeren in de zon. Een man kwam de hoek om. Er speelde in de verte op de stoep een groep kinderen, maar die groep betekende niet veel, maakte, integendeel, dat de straat nog verlatener scheen. De zon had het rijk alleen... Maar vreemder..."’
Entree: € 5,00
- Donderdag 28 januari -
Zuid Afrika Huis, Keizersgracht 141
Zuid-Afrikaanse Gedichten
Aanvang: 19:30 uur
Met o.a. gedichten van Ingrid Jonker, Jan F. E. Celliers en liederen van Howells.
‘In het kader van de Gedichtendag die op 28 januari plaats zal vinden, met dit jaar als thema "Over de grens": Zuid-Afrikaanse gedichten, liederen en componisten. Charlotte Stoppelenburg, alto/mezzo. Begeleiding: Wijnand van Klaveren (piano) en Anne Bartje Fontein (alt-viool).’
Entree: € 10,00
- Donderdag 28 januari -
Spui25
De nostalgie voorbij: naar een nieuwe verbeelding van Nederland en Indië
Aanvang: 16.00 uur
Met: Ulbe Bosma, Elsbeth Etty, Jan Lucassen en Gert Oostindie.
‘De Indische cirkelmigratie, zoals die zich vanaf het begin van de negentiende eeuw ontwikkelde, heeft het leven van honderdduizenden Nederlanders beheerst. Die sociale en culturele geschiedenis is door een onderzoeksproject van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis grondig onderzocht en tot leven gebracht. Wie gingen er eigenlijk naar Indië, uit welke milieus kwamen zij, waarom gingen zij? Waarom kwamen zij vooral uit de stad en niet van het platteland? Hoe Indië Nederland in beweging bracht, is een thema dat de politieke geschiedschrijving intens heeft beziggehouden, maar nauwelijks de beoefening van onze sociale en cultuurgeschiedenis heeft beroerd.’
Entree: gratis
- Donderdag 28 januari -
Perdu
30x30 Dichtersmarathon
Aanvang: 20.00 uur.
Met: o.a. Geert Buelens, Anne Vegter, Toon Tellegen, Hagar Peeters, Thomas Möhlmann, Erik Lindner en Tsead Bruinja.
‘Het concept is uitermate eenvoudig: dertig Nederlandse dichters lezen elk drie gedichten voor: twee van henzelf en één van een zelfverkozen collega uit het buitenland. Bij het voorlezen wordt de poëzie niet onderbroken door aan- of afkondigingen, bio- of bibliografische informatie of entr’acts en intermezzos. Zo kan de aandacht van de luisteraar zich volledig op de poëzie zelf richten, die zich aan hem presenteert als een constante stroom in een onverbiddelijk ritme van ruim tweeënhalf uur.’
Entree: € 7,00/ € 5,00 met o.m. vriendenpas
maandag 28 december 2009
zaterdag 19 december 2009
Rendementsfetisjisme
Geen geld voor trage studenten. Dat is de strekking van de voorstellen van minister Plasterk voor een nieuw financieringsmodel voor het hoger onderwijs. Dat model legt de verantwoordelijkheid voor de studievoortgang van studenten bij de onderwijsinstellingen. De universiteiten worden gekort wanneer een student de ‘nominale studieduur’ overschrijdt. Het gehamer op 'rendement' is niet nieuw, maar de mate waarin de minister de financiering van universiteiten nu afhankelijk maakt van efficiency en snelheid is dat wel. Wanneer een universiteit er niet in slaagt een student binnen drie jaar door de BA-opleiding heen te jagen, wordt die universiteit gekort. De impliciete boodschap aan docenten luidt: verlaag de drempel, geef voldoendes (ook al zijn ze niet verdiend), anders geef je volgend jaar misschien geen onderwijs meer.De universiteiten zullen zich toch wel tegen deze cynische maatregel verzetten, zeker? Helaas is eerder het tegendeel waar. Plasterks uitnodiging tot rendementsfetisjisme mist haar uitwerking niet. De minister had zijn plan nog niet aan de Tweede Kamer voorgelegd of het College van Bestuur van mijn universiteit besloot om op basis van een technocratisch rapport vol termen als ‘rendementsfactoren’ en ‘studiesucces’ een nieuwe semesterindeling in te gaan voeren met het oog op de verbetering van het rendement. We krijgen een met kortademige onderwijsblokken van 8 of 4 (vier!) weken volgepropt jaar dat de studenten nergens ruimte biedt om eens iets uit te diepen of om naar eigen goeddunken eens een paar boeken extra te lezen, en dat allemaal volgens een semestersysteem dat incompatibel is met de universiteiten in de rest van de wereld. Hoezo kwaliteit en verdieping? Hoezo internationale samenwerking en studentenmobiliteit tussen de universiteiten? Het doet er kennelijk allemaal niet zo veel toe, als we de diplomamachine maar draaiende houden. Hoe minder naar diploma’s hunkerende studenten we teleurstellen, hoe beter.
Docenten van talentvolle en enthousiaste jonge mensen hebben de morele plicht om optimistisch te zijn, vind ik. Het gemopper van buitenstaanders die denken dat het in hun tijd aan de universiteit allemaal beter was, is niet constructief. Net zomin als uitspraken over de teloorgang van het onderwijs door insiders van de universitaire wereld, die daarmee de handen van de mopperaars op elkaar proberen te krijgen. Zulke criticasters maken het zich te gemakkelijk. Toch moest ik bij de recente berichten denken aan een berucht pamflet van precies zo’n criticaster, de socioloog Frank Furedi.
In een aanklacht tegen de verloedering van het (Britse) universitaire onderwijs, Where have all the intellectuals gone?, signaleert Furedi in 2004 de opkomst van een nieuwe soort universiteitsmanagers. De inhoud van cultuur en ideeën zou deze ‘nieuwe elite’ onverschillig laten. Zij zou denken dat het hoger onderwijs de motor van de economische groei dient te zijn. Furedi beschuldigt de bestuurders van een instrumentalistisch ethos: zij beoordelen kunst, cultuur en onderwijs enkel op de mate waarin ze praktische doelen dienen. De nieuwe managers schamen zich niet voor wat Furedi de ‘evidente banalisering van het universitaire leven’ noemt. Dat studenten vervreemd zijn geraakt van de wereld van het boek kan ze weinig schelen. De nieuwe universitaire elite kweekt geen intellectuelen, maar ignorante cultuurbarbaren met bekrompen, materialistische opvattingen.Zeker, het onderwijs heeft sinds de jaren zestig flinke steken laten vallen, maar dat is mijn nieuwsgierige studenten niet aan te rekenen. Ook hun nieuwe docenten treft wat dat betreft geen blaam: ook zij moesten over het algemeen nog geboren worden toen de Mammoetwet werd ingevoerd. Maar deze jonge academici zijn zich zeer goed bewust van hun verantwoordelijkheid en van de ingrijpende veranderingen in de cultuur van de laatste decennia. Bij Furedi (1947) is dat bewustzijn aanmerkelijk verder te zoeken. Hij is een babyboomer die er in zijn marxistische periode met zijn neus bovenop stond toen het humanistische Bildungs-ideaal tot de grond toe werd afgebroken en die nu, in het zicht van zijn emeritaat, probeert een nieuwe generatie van academische leiders die kaalslag aan te wrijven.
Die kaalslag zou tot ver buiten de universiteit zichtbaar zijn. Furedi’s aanklacht tegen het academische filisterdom regardeert meteen ook de ontwikkeling van de cultuur. De ‘Cultuur met hoofdletter C’ is teloor gegaan en de grens tussen hoge en lage cultuur is vervaagd – we kennen de klachten. Maar ze zijn zo weinig constructief. Inderdaad: schoolverlaters hebben, wanneer ze de universiteit binnenkomen, een totaal andere culturele en intellectuele bagage dan veertig jaar geleden. De vraag is alleen hoe je daarmee omgaat. De vraag is ook of het helpt om maar te blijven roepen dat het onderwijs niet deugt.
Wat staat ons te doen? Ik denk dat er voor de nieuwe generatie academici niets anders op zit dan de erfenis van onze voorgangers te aanvaarden, er verantwoordelijkheid voor te nemen en vervolgens alles in het werk te stellen om te redden wat er te redden valt. Hoe sceptisch iemand als Furedi ons ook op de vingers kijkt, we moeten onze studenten weer een stevige opleiding bieden; een opleiding die ze tot weerbare, cultureel bewuste en verantwoordelijke burgers maakt in de snel veranderende wereld van vandaag. Ik wil geen geweeklaag over de teloorgang van de eruditie en ook geen gemekker over de kwaliteit van het onderwijs. Wat we nodig hebben is een vlucht vooruit. Als gezegd: optimisme is onze plicht.
Ik ben er de afgelopen jaren eigenlijk altijd blind van uit gegaan dat mijn werkgever er ook zo over denkt. En dat ook de minister van onderwijs graag ziet dat we aan de universiteiten met frisse moed de handen uit de mouwen steken. Ik vind ook dat zij als hoogste bestuurders de plicht hebben om ons docenten te helpen het cynisme buiten de deur te houden. Zij hebben in de eerste plaats ervoor te zorgen dat wij met ons optimisme niet voor schut staan.
Precies op dit punt gaat het momenteel helemaal mis. Staan wij niet vreselijk te kijk nu onze bestuurders met hun instrumentalistische rendementsfetisjisme gevaarlijk dicht in de buurt komen van de karikatuur die Furedi van ze schetst? Er wordt aan mijn universiteit uit louter economische motieven een nieuw semestersysteem doorgevoerd zonder dat zelfs maar de schijn gewekt wordt dat dit systeem bedoeld is om de intrinsieke kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Het gaat alleen maar om het rendement. Op het woord selectie rust een taboe. Dat moet ook wel, want onze minister dwingt dit soort draconisch cynisme af. Dit cynisme is een klap in het gezicht van iedereen die in de universiteit dagelijks voor groepen studenten staat. En die klap komt hard aan: iedereen is klaar om zijn hakken in het zand te zetten en te verdedigen wat we gisteren nog hadden. Terwijl dat nou net de houding is die we op het moment niet gebruiken kunnen. Misschien is het te veel gevraagd als ik van de hoogste onderwijsbestuurders inspiratie en bevlogenheid verwacht, maar het wordt wel bar wanneer hun beleid erop gericht lijkt de inspiratie en de bevlogenheid van de mensen in het veld te breken.
Dames en heren bestuurders, mijnheer de minister, kunt u mij vertellen hoe ik moet vechten tegen het gratuite pessimisme waarmee Furedi en zoveel anderen het debat gijzelen, wanneer u aan dat pessimisme zoveel voeding geeft?
woensdag 16 december 2009
Maakt u zich geen zorgen, mevrouw Palmen...
‘Ik houd mijn hart vast voor iedere student die bij hem afstudeert,’ aldus Connie Palmen over Thomas Vaessens in NRC Handelsblad (Opinie & Debat, 5 december). Al een tijd voert Palmen een verwoede strijd tegen Vaessens. Zij beschuldigt hem van ‘kritiekloos toejuichen wat aanspreekt omdat het volk het mooi vindt’. Sinds 5 december richt zij de aanval ook op ons, zijn studenten. Palmen heeft natuurlijk het recht het niet eens te zijn met Vaessens en haar bedenkingen jegens zijn opvattingen te uiten. Maar door de opleiding van Vaessens’ studenten in twijfel te trekken, zet zij ten onrechte een hele generatie neerlandici weg als incapabel. Tegen deze aanklacht willen wij ons graag verdedigen. Waar komen de zorgen van Palmen vandaan? Heeft zij ooit kennis genomen van de inhoud van Vaessens' colleges? Neem een vak als ‘Moderne Tekstinterpretatie’. In dit college worden verschillende moderne literaire teksten (van Kellendonk, Nooteboom, Achterberg, Joyce en Homerus, we noemen slechts enkele) vanuit verschillende theoretische invalshoeken geanalyseerd en geïnterpreteerd. Palmen suggereert dat Vaessens Derrida niet heeft gelezen. Zijn studenten doen dat in elk geval wel (waarmee volgens ons Palmens bewering weerlegd is). Op de secundaire literatuurlijst staan: Derrida, Barthes, Mertens, Barbara Johnson, Hans Bertens en Maaike Meijer. En deze lijst wordt natuurlijk niet enkel door de studenten geabsorbeerd. Tijdens de werkgroepen wordt iedereen aangemoedigd een kritische positie in te nemen.
Of neem het college ‘Frans Kellendonk in cultuur-historisch perspectief’, waarin de studenten zich buigen over de vraag of een ‘postmoderne’ lectuur van Kellendonk volstaat, of het poststructuralistische denkkader ook delen van zijn werk of opvattingen aan het zicht onttrekt. In Vaessens’ colleges wordt niet afgerekend met het postmodernisme, waar Palmen Vaessens van beticht. Het poststructuralisme wordt, net als alle andere literair theoretische stromingen, kritisch beschouwd.
Studenten hoeven op de universiteit niet te leren wat nou precies hoge en lage literatuur is. Wat ze dienen te leren is hoe orkestratie en canonisering de scheiding tussen hoog en laag kunnen beïnvloeden; hoe ze zich kritisch kunnen verhouden ten opzichte van de scheiding. En met deze houding kun je niet zo maar onderdelen uitsluiten. Integendeel. Met die houding leer je (onder andere!) de canon te bevragen, je leert dat zowel hoge als lage literatuur deel uitmaakt van de Nederlandse taal en cultuur. Je leert hoe literatuur, cultuur, politiek en maatschappij met elkaar in verband staan, zoals Marita Mathijsen en Yra van Dijk ook al aangaven in een reactie op het interview met Palmen (Opinie & Debat 12-13 december).
Maakt u zich dus over ons geen zorgen, mevrouw Palmen. Wij studenten van Thomas Vaessens genieten een hele uitdagende, goede opleiding. Eigenlijk zouden we u dat eens moeten laten zien. Kunt u niet een keer een gastcollege komen geven?
Met vriendelijke groet,
A. van de Wetering en M. Koens
Het afscheid van de rentmeester
Afgelopen weekend heen en weer naar Leuven gereisd. Daar vond het afscheidscollege plaats van Hugo Brems, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Katholieke Universiteit Leuven. Brems heeft een lange staat van dienst als poëziecriticus (in o.a. DW&B), editeur (van de gedichten van Herman de Coninck), maar de meesten van ons zullen hem kennen als auteur van het standaardwerk Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006). Tijdens de viering zwaaiden hooggeleerde collega's en bevriende dichters (zoals Anton Korteweg en Leonard Nolens) de vertrekkende hoogleraar lof toe. Uiteraard hadden zijn collega's ook een afscheidsbundel voor hem samengesteld, zoals wel vaker het geval is wanneer een hoogleraar vertrekt (zie bijvoorbeeld de afscheidsbundel voor Marita Mathijsen), maar hier kreeg de pensioensgerechtigde letterkundige wel een heel bijzonder project-in-boekvorm aangeboden: de samenstellers van de bundel, getiteld Ergens beginnen. Bijdragen over Nederlandse poëzie (1967-2009) voor Hugo Brems bij zijn emeritaat, kozen voor elk jaar uit de periode 1967-2009 één poëziebundel en vroegen aan een veertigtal poëziebeschouwers uit Nederland en Vlaanderen om telkens over één van de geselecteerde bundels een essay te schrijven. Het resultaat is een soort poëziegeschiedenis-in-momentopnamen: divers en fragmentarisch, maar altijd interessant en inzichtgevend. (Zie ook deze posting op het blog van de VU.)
Na het boek in ontvangst te hebben genomen, sprak Brems zijn afscheidscollege uit. Hij blikte terug op zijn eerste kennismaking met poëzie (via Van Ostaijens "Panem et Singerem", later de experimentele gedichten van de Vijftigers) en zijn eerste werkcolleges in de jaren zestig. Veel is sindsdien veranderd, zo bleek, want Brems memoreerde hoe hij tijdens zijn eerste college de Verzen van Herman Gorter wilde behandelen met de studenten, waarop die protesteerden en, druk Marx en Lenin citerend, de docent er fijntjes op wezen dat poëzie hun inziens een luxe-artikel was, een product van de dominantie van de bourgeois, en dat de bestudering daarvan dus een reactionair iets was. (Dat die studenten juist tegen de marxist Gorter protesteerden, is natuurlijk de ironie van de geschiedenis.) De jonge Brems liet zich echter niet van de wijs brengen -- en dat is maar goed ook, want als hij de poëzie sindsdien links (of misschien eerder, in de ogen van de toenmalige studenten: rechts) had laten liggen, hadden we inspirerende werken als De dichter is een koe (1991) of Een zangwedstrijd. Over literatuur en macht (1994) moeten missen.Maar aan het slot van zijn rede werd duidelijk dat Brems toch wel degelijk oor heeft gehad voor de kritiek die zijn eerste studenten hem voorlegden. Zo constateerde hij dat de tijden dat een kleine club critici en literatuurkenners bepaalde wat wel en niet tot De Canon behoort voorgoed voorbij zijn. De letterkunde moet met haar tijd mee, stelde hij vervolgens, en het is dan ook een goede zaak dat critici, letterkundigen en literatuurwetenschappers van nu de traditionele opvattingen over wat literatuur is, en hoe je die zou moeten bestuderen, kritisch zijn gaan bevragen. Maar hoe we literatuur dan precies moeten onderzoeken, daar liet Brems zich niet over uit. Het is aan de jongere generaties letterkundigen, zo leek hij daarmee -- even wijselijk als galant -- te willen aangeven, om een antwoord te zoeken op die lastige en uitdagende vraag.
Labels:
afscheidscollege,
Hugo Brems,
literatuur van nu
donderdag 10 december 2009
Amsterdams congres
Amsterdamse monumenten, bedoeld om een gevoel van eenheid binnen de natie te bewerkstelligen, doen het tegenovergestelde. Zo luidde de prikkelende stelling die Jeroen de Wulf, hoogleraar Dutch Studies in Berkeley (UCLA) vorige week vrijdag deed op het congres ‘Imagining Amsterdam’. Hij stelde voor om het monument voor de koloniale tijd in Suriname daarom te vervangen- of liever gezegd: te veranderen.Het beeldt nu nog de Surinaamse schrijver en nationalist Anton de Kom uit, die zich losbreekt uit steen. Zijn naakte bovelijf bevestigt, zo stelde De Wulf en andere critici (het controversiële beeld werd al eens helemaal rood geverfd) eerder een slaven-identiteit dan dat hij die deconstrueert. Haal dat steen weg, en zet in plaats daarvan de Nederlandse echtgenote van De Kom en hun vier kinderen op de sokkel erbij. Alleen zo wordt het een monument voor iedereen, over integratie en ten bate van integratie.
Het was een van de weinige lezingen op het congres waarin werd gesteld dat er iets zou moeten worden veranderd aan de stad - veel van de andere verhalen gingen over hoe we de stad kunnen begrijpen. Hoe buitenlanders haar zien, bijvoorbeeld, of hoe zij in literatuur gerepresenteerd is.
Het programma (dat, zoals alles op de UvA-website, het beste via Google te vinden is) was enorm interdisciplinair. Gedeeltelijk was het daarmee ook een visite-kaartje van de ‘partner’: het internationale Amsterdam University College. Het evidente nadeel van die aanpak is natuurlijk dat er op die manier weinig diepgang bereikt kon worden, omdat het publiek nooit gespecialiseerd was. Het grote voordeel is dat Amsterdam vanuit alle denkbare facetten werd benaderd: van Baantjer tot Camus, van ethiek tot volkoren brood.
Het was een van de weinige lezingen op het congres waarin werd gesteld dat er iets zou moeten worden veranderd aan de stad - veel van de andere verhalen gingen over hoe we de stad kunnen begrijpen. Hoe buitenlanders haar zien, bijvoorbeeld, of hoe zij in literatuur gerepresenteerd is.
Het programma (dat, zoals alles op de UvA-website, het beste via Google te vinden is) was enorm interdisciplinair. Gedeeltelijk was het daarmee ook een visite-kaartje van de ‘partner’: het internationale Amsterdam University College. Het evidente nadeel van die aanpak is natuurlijk dat er op die manier weinig diepgang bereikt kon worden, omdat het publiek nooit gespecialiseerd was. Het grote voordeel is dat Amsterdam vanuit alle denkbare facetten werd benaderd: van Baantjer tot Camus, van ethiek tot volkoren brood.
Abonneren op:
Berichten (Atom)