Met een vanzelfsprekend gemak zeilde Colebrook van van Deleuze, naar Jonathan Frantzens Freedom, en dan via Sarah Palin en Aristoteles weer terug, om te besluiten met de Deleuziaanse voorspelling dat we een nieuw, onironisch maar eerder humerous tijdperk ingaan. Humor, in tegenstelling tot ironie, suggereert een leven en een kracht die uitstijgt boven betekenissen. (Wonderlijk genoeg refereerde ze niet aan haar collega Simon Critchley, die in 2007 verklaarde dat humor de enige vorm van sublimatie is die onze oneindige ethische verantwoordelijkheid dragelijk kan maken (Infinitely Demanding). Ironie is altijd anti-humanistisch, zo stelde Colebrook, en wij zijn nu zo humanistisch dat er geen ruimte is voor ironie.
Dat is misschien wel wat kort door de bocht. Twintig straten verderop in de lower East Side was er ondertussen een expositie in The new museum met een werk van de Israelische kunstenares Yael Bartana (die overigens aan de rijksacademie studeerde en in Amsterdam woont). Het werk bestond uit een Manifesto of the Jewish Renaissance Movement in Poland. Wie nog twijfelde aan de ernst van het idee, is snel genezen door de grafische signalen: facistische iconen sieren het bloedrode pamflet, dat bezoekers gratis mee mogen nemen in posterformaat. Een nogal ambivalente zionistische boodschap, met bovendien een bijbehorende getekende instructie: bouw-je-eigen-kamp, compleet met prikkeldraad en wachttorens. Ironischer kan het niet. Of zou het humor zijn?
0 reacties:
Een reactie plaatsen