maandag 16 mei 2011

Pioniers

‘Tellen, niet lezen’, dat is het devies van de literatuurwetenschapper Franco Moretti. Zijn methode is die van distant reading in plaats van close reading. Individuele teksten lezen is volgens Moretti net zo irrelevant voor de literatuurwetenschap, als het bestuderen van een baksteen is voor het beschrijven van een gebouw. In boeken als Graphs, Maps, Trees uit 2005 bepleitte hij dat ons moesten gaan toeleggen op algemene literaire structuren en modellen (zie ook NRC Boeken 2006).

Het verbaast niet dat Moretti en de digital humanities elkaar inmiddels gevonden hebben. Aan Stanford University geeft de Italiaanse professor leiding aan ‘The Literary Lab’, waar digitaal en kwantitatief onderzoek naar literatuur wordt gedaan. Dat Moretti’s club haar publicaties ‘pamfletten’ noemt, zegt veel over de strijd die ze denkt te moeten leveren tegen de bestaande vormen van literatuurwetenschap. Dat heeft misschien te maken met de heersende ideologische richting die het Amerikaanse literatuuronderzoek heeft. Het tellen van Moretti heeft weinig vooralsnog weinig te maken met de Islamitische-, queer- of Afro-amerikaanse- literatuurcursussen die in de VS de comparative literature curricula vullen. Voor een Nederlands letterkundige is het niet zo schokkend- gewend als wij zijn aan tellen van lezers, recensies of boekhandels in de literatuursociologie, is het tellen van tekstelementen helemaal niet zo gek. 

Wie de eerste twee pamfletten downloadt, ziet dat het literaire lab er alles aan doet om aansluiting te vinden bij de ‘gewone’ geesteswetenschapper. Inplaats van technofilie heerst er hier gezonde scepsis over de digitale mogelijkheden. Begint Moretti zijn studie naar plotstructuur bij Shakespeare nog hoopvol met de woorden: ‘This time it’s probably going to be different, because this time we have digital databases, and automated data retrieval’, aan het einde moet hij erkennen dat dit project grotendeels is mislukt. Ook het eerste onderzoek, waarbij het ging om het indelen van genres, stuitte op vele moeilijkheden. De toon is dan ook die van de eerste pioniers hier out in the west, waarbij vaak termen vallen als ‘hard work’, een ‘dead end’ of ‘exploration’. 

Buitengewoon eerlijk zijn de protagonisten over hun eigen grenzen (Moretti: ‘The theory proper requires a level of mathematical intelligence which I unfortunately lack’), en over de tekortkomingen van de software. Het eerste pamflet is dan ook niet meer dan een onderzoek in hoeverre de software romangenres herkent die wij zelf ook al kenden. Toch rollen daar verrassende conclusies uit: de computer blijkt wel dezelfde genres te herkennen, maar op basis van heel andere gegevens. Niet het plot onthult bijvoorbeeld dat we te maken hebben met een gothic novel, maar een terugkerende grammaticale structuur. De Literary Lab is veel te bescheiden om het toe te geven, maar eigenlijk hebben ze hiermee wel een mooie toetsing van een oude literatuurwetenschappelijke hypothese gegeven. Zelfs spreken de pioniers vrij voorzichtig van ‘greater clarity’. Hoog tijd dat Nederlandse letterkundigen ook de paarden voor de wagen spannen.

0 reacties:

Een reactie plaatsen