Het stuk roept de nodige vragen op, waarvan die naar de intentie het meest prangend is. Wil Slot eens politiek incorrect zeggen waar het op staat, of is haar artikel een ironisch bedoeld verwijt richting jury’s van literaire prijzen? In het laatste geval had ze de ironie er beter wat dikker bovenop kunnen leggen. De reacties op volkskrant.nl illustreren dat de eventuele dubbele bodems niet worden herkend, en zowel bijval als afkeur tonen aan dat Slot hier een immer actuele kwestie te pakken heeft. Reden om haar argumenten toch eens serieus te bekijken.
Slots betoog drijft op de veronderstelling dat nominaties voor literaire prijzen het belangrijkste objectieve criterium zijn voor kwaliteit. Dat er nauwelijks boeken van vrouwen op nominatielijsten van grote literaire prijzen voorkomen, moet wel betekenen dat vrouwelijke auteurs slechter schrijven dan hun mannelijke collega’s. Ze onderkent weliswaar dat juryleden ‘hun onderbewuste, met zijn onsympathieke generalisaties, scherp in de smiezen’ houden om zo objectief mogelijk te zijn, maar gaat eraan voorbij dat juist objectiviteit bij het beoordelen van literatuur een problematisch begrip is. Juryleden zijn lezers (m/v) met een eigen literatuuropvatting – nog los van de orkesterende processen die ook aan toekenning van prijzen ten grondslag kunnen liggen.
Aan het aanbod ligt het niet, volgens Slot. Gedurende de vier jaar dat ze jurylid was voor de Academica Debutantenprijs zag ze dat vrouwen de toegang tot het literaire veld niet wordt ontzegd. Het probleem ontstaat pas wanneer er ‘serieus op kwaliteit wordt geselecteerd’ – dan vallen vrouwen veelal door de mand. Hierbij gebruikt Slot het woord ‘kwaliteit’ zonder te expliciteren wat ze daar zelf onder verstaat, zodat haar betoog – voor welke bedoelde stelling dan ook – uiteindelijk geen enkel inhoudelijk argument bevat. Waarom zouden bijvoorbeeld de korte verhalen van Thijs de Boer (genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs 2011) van hogere kwaliteit zijn dan die van Maartje Wortel (winnaar van de Anton Wachterprijs 2010) of vice versa?
Naarmate de oeuvres groeien, worden de verschillen alleen maar groter: wordt een vrouwelijke debutant nog wel eens gelauwerd, bij de ‘prijzen voor gevorderden’ zijn het vrijwel altijd mannen die winnen. De manier waarop Slot het bestaan van de genderpiramide inzet is twijfelachtig. Sofia Coppola was in 2004 de eerste vrouw die in de geschiedenis van de Academy Awards genomineerd werd voor beste regie. Het duurde nog tot 2010 voor Katrhyn Bigelow als eerste vrouwelijke regisseur het Oscar-beeldje mee naar huis mocht nemen voor The Hurt Locker. Het aantal regisserende vrouwen is misschien klein, maar betekent dit dat vrouwen ook slechter regisseren dan mannen? De scheve verdeling is niet alleen aanwezig in de culturele sector, maar evenzogoed in de academische wereld, het bedrijfsleven en de politiek. Zijn vrouwen volgens Slot óók binnen al die andere maatschappelijke velden minder competent? De biologische connotaties die haar opiniestuk in zich draagt impliceren dat vrouwen van nature minder begaafd zouden zijn dan mannen, waarmee ze in één al dan niet spottende armzwaai eeuwen vooruitgang en emancipatie van tafel veegt.
Graag zou ik twee recent verschenen literatuurgeschiedenissen onder Slots aandacht brengen: Women's Writing from the Low Countries 1200-1875 en het gelijknamige deel dat de periode van 1880 tot 2010 bestrijkt. De twee kloeke delen bevestigen dat Nederland een dynamische traditie van schrijvende vrouwen kent, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Wie een blik werpt op de genomineerden voor de Anna Bijns Prijs – en internationaal The Orange Prize – ziet wat er zoal aan literatuur van vrouwelijke hand verschijnt. Het werkelijke probleem lijkt dan ook niet zozeer te schuilen in de kwaliteit van het vrouwelijk proza, maar in de waardering voor proza vanuit vrouwelijk perspectief. Of, zoals Marjolijn Februari het treffend omschreef: ‘Ach, mannen en vrouwen en het verkeer daartussen! Noem het een relatie, en je hebt een damesroman over huishoudelijke onderwerpen; noem het neuken, en je hebt een noodzakelijk boek over de eigentijdse cultuur.’
Noem het ‘vrouwen kunnen gewoon minder goed schrijven’ en je hebt het probleem – ook als je het ironisch bedoelt – ‘gewoon’ met kop en staart van tafel geschoven.
Ha Femke,
BeantwoordenVerwijderenje schrijft: 'Juryleden zijn lezers (m/v) met een eigen literatuuropvatting – nog los van de orkesterende processen die ook aan toekenning van prijzen ten grondslag kunnen liggen.'
Zou de kern van het probleem echter niet precies in die bijzin schuilen? Net zozeer als je je af kan vragen wat 'literaire kwaliteit' betekent in een cultuur die nu eenmaal een 'white, male' canon heeft, kan je je afvragen hoe 'eigen' iedereens literatuuropvatting is in die cultuur. Is die niet net zo goed gevormd door die witte mannelijke canon die we onderwijzen op scholen en universiteiten? Iemand die in die cultuur gevormd is, zal allicht de voorkeur geven aan een roman die hij/zij herkent als 'kwaliteit' in die traditie.
Hoi Yra,
BeantwoordenVerwijderenBinnen de context waarin onze literatuuropvattingen ontstaan, lijkt de blanke mannelijke norm inderdaad gangbaar. In die zin zou de kern van het probleem dat het proza van vrouwen (al dan niet bewust) langs een andere meetlat wordt gelegd dan proza van mannen daar zeker wel eens kunnen liggen.
Mijn grootste bezwaar tegen het stuk van Slot – en daarmee aanleiding voor bovenstaand betoogje – is de manier waarop zij dat probleem aan de orde stelt. Haar aanpak is volgens mij niet echt productief om uit die 'double bind' te komen waarin we, jouw opmerking ook in ogenschouw genomen, zitten: hoe trekken we die verschillen in beoordelingscriteria recht als we zelf ook behept zijn met een vorming waarin de ‘white male canon’ het ijkpunt is?